Casus normatieve professionalisering
Moreel dilemma op de werkvloer
In de klas waar ik werk zit een leerling (M) die het nog moet leren om gewenst gedrag te vertonen. Hij heeft sinds kort geen één op één begeleiding meer. Laatst gaf ik een les samen met mijn collega over schrijfletters, waarbij de letters in scheerschuim geschreven werden door de kinderen. M was bezig met andere leerlingen uitdagen en spetterde met het scheerschuim in het rond. Na meerdere interventies lukte het hem nog niet om gewenst gedrag te vertonen. Mijn collega heeft hem meegenomen aan zijn arm en zijn handen bij de wasbak gewassen van het scheerschuim. Hij moest toen op de groene kruk zitten om zijn emoties onder controle te krijgen. Na 5 minuten ben ik erbij gaan zitten om te vragen waar hij mee zat en of ik hem kon helpen. Hij was heel overstuur en vertelde me dat de andere juf hem hard vast had gepakt. Hij had aangegeven dat het pijn deed maar ze ging toch door. Ik herkende hier bij mezelf een dilemma in, want ik vind het zelf niet juist om kinderen hard vast te pakken, maar ik kan ook niet over de rug van mijn collega handelen.
Ik ben van mening dat het fysiek aanraken van een kind echt het laatste middel is om gedrag te corrigeren. Als de noodzaak er is en ik moet het wel inzetten doe ik dat op de manier waarop wij dit geleerd hebben als team tijdens een cursus regie op gedrag van Boudewijn Schut. Daarbij is het de bedoeling dat dit met twee personen gedaan wordt, zodat het kind zo gebalanceerd mogelijk de klas kan verlaten. Er onstaat dan ook geen fysieke strijd.
Mijn collega heeft daar een andere visie over, als het volgens haar onveilig is in de klas of de leerling moet nu consequent gecorrigeerd worden, gebruikt zij fysieke middelen om het kind uit de klas te zetten en in dit geval ook de handen van te wassen. Ik denk dat dit geen morele keuze is richting het kind, omdat hij hier geen autonomie heeft en zelfs pijn leed.
Vanuit een professioneel oog maar ook mijn collega niet te willen benadelen heb ik verteld dat het voor M handig is dat hij van tevoren aan ons aangeeft wat wel zou werken als hij ongewenst gedrag vertoont. Hij kan hier zelf goed op reflecteren. Ook heb ik gezegd dat het handig is voor hem om met de andere juf in gesprek te gaan, zodat zij het kunnen oplossen en uitpraten. Ik heb daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hij wel rustig praat en niet gelijk boos wordt. Hij dacht dat dat hem ging lukken. Mijn collega heeft het met hem uitgepraat en na school hebben we de situatie nog besproken met zijn vader. We hebben allebei het gevoel dat het zo fijn opgelost is.
Normatieve professionalisering draait om het vergroten van een bewustzijn, een sensitiviteit die leraren aan de dag leggen bij de dagelijkse uitvoering van hun taak. Het is in die zin vergelijkbaar met de term pedagogische tact (Van Manen, 1991; Bors en Stevens, 2013). In deze casus is de pedagogiek een belangrijk onderdeel van het handelen. Pedagogisch handelen bij ongewenst gedrag van kinderen is van belang om een zo veilig mogelijke situatie te realiseren voor het kind en de klas. In deze situatie zou ik het pedagogisch handelen dat mijn collega uitvoerde zelf anders aanpakken.
Ik heb mijn collega daarom nog feedback gegeven achteraf dat ik anders zou handelen in die situatie. Dit vond ik spannend, want zij heeft meer jaren ervaring dan ik. Toch vond ik het belangrijk om mijn visie hier over te delen en zij kon de feedback op prijs stellen.