Per competentie beschrijf ik mijn procesreflectie met brongebruik. Dit onderdeel laat zien hoe ik gedurende de minor heb gewerkt aan de verschillende competenties en wat ik daarin heb geleerd.
Competenties
Tussenreflectie - Competentie 1: Zelfreflectie en feedback
Het verschil tussen het begin van de minor in februari en nu in maart is groot wat betreft mijn ontwikkeling op competentie 1. Ik heb leren reflecteren op proces, ben dat nu nog steeds aan het leren, en heb geleerd feedback te geven op een hele andere manier dan dat ik gewend was. In de werkcolleges heb ik vaak fijne feedback gehad over mijn gemaakte producten. Dit gaat dan vooral over de creatieve uitingen.
Ik ben gewend om te evalueren op het gemaakte of behaalde product. Sinds ik ben begonnen met de minor is het juist de bedoeling dat er gereflecteerd wordt op het proces dat je doorloopt. Ik ben na de eerste collegedag en nu nog steeds elke dag bezig met 'waarom voel ik me zo? Wat zorgde ervoor dat ik zo reageerde?' en kan zelfs tijdens een situatie nu denken: 'hoe ga ik hierop reageren?' of 'vroeger zou ik nu afreageren op iemand, nu kies ik een andere actie'. Of ik beslis om even bewust niks te zeggen. Ik ben eigenlijk sinds februari constant bezig met wat er om me heen gebeurt en hoe ik daar op reageer/ga reageren. In plaats van 'hoezo lukt het mij niet, ik kan het niet, etc' vraag ik mezelf nu juist af wat ik nu doe en hoe ik steeds vooruit ga. Deze positievere manier van denken is een goede tegenpool voor de kritische blik die ik altijd naar mezelf heb.
Tijdens de inspiratiedriedaagse (Oosterhout, 17–19 maart 2026) kwam ik erachter waar ik last van heb en waar dat uit voortkomt. Ik keerde in mezelf en heb daaruit geleerd dat ik emoties opkrop, tot ze er als frustratie, irritatie of explosief tot uiting komen. Tijdens deze drie dagen ben ik me gaan afvragen waarom ik de emoties zo opkrop. Daaruit kwam dat ik schaamte voel om mezelf open te stellen, uit een idee altijd een goed beeld van mezelf neer te willen zetten. Ik vind het spannend om mezelf kwetsbaar op te stellen, omdat ik andere mensen niet wil opzadelen met mijn gevoelens. Ik heb de 9 hulpvragen gebruikt om te reflecteren op een moment in de kapel, een stiltemoment, waar ik voor het eerst in tijden heb gehuild. Ik kon niets anders dan de emoties toelaten, want er was geen afleiding, en dat uitte zich in huilen. Lonneke (mijn maatje) zat naast mij en ik voelde veel steun vanuit haar. Na het stiltemoment vroegen nog andere medestudenten of het wel goed ging en toen begon ik weer even te huilen. Ik wilde het eerst weer niet toelaten, maar iemand zei tegen mij dat het oké was en dat was zo fijn om te horen. Dit was lieve feedback eigenlijk, want ik ben hierover na gaan denken en ben tot de conclusie gekomen dat het juist fijn is om mezelf te openen, omdat ik dan steun kan krijgen. En mensen willen die steun ook bieden. Ik ga hiermee nog aan de slag met mijn trainingsvraag spiritualiteit, omdat het me niet in één keer lukt me helemaal open te stellen, maar ik heb door te reflecteren en feedback te krijgen wel mooie inzichten gekregen.
Tijdens het portfolioteam in de driedaagse hebben mijn maatje en ik naar elkaars levensbeschouwelijk portret gekeken. We hebben hier ook over gesproken. Zij had mij als feedback gegeven: "Herkenbaar beeld bij het godsbeeld. Mooi dat er ruimte is gekomen voor andere perspectieven. Opvallend dat wetenschap hier naar voren komt. Als ik kijk naar het goede leven zie ik bij jou dat je vooral zoekt naar community, contact en gehechtheid. Ik zou nog wel even het goede leven voor de algemene mens uit jouw perspectief schetsen, want nu heb je alleen een uitleg die jouw goede leven schetst. In de zin van het leven vroeg ik me af; wat is volgens jou het punt van de mens?" Ik heb daarop geantwoord: "we zijn dierlijk, we zijn er gewoon. Vanuit de evolutie zijn we ontwikkeld en iedereen kan zijn eigen invulling geven aan het leven. Ik zie geen dieper punt van bestaan." Mijn maatje vond dat ik er goed over had nagedacht en inhoudelijk antwoord kon geven op haar vragen. (L. Basten, persoonlijke communicatie, 17 maart 2026, tijdens portfolioteambijeenkomst).
Eindreflectie Competentie 1: Zelfreflectie en feedback
Voor het werken aan competentie 1 wil ik refereren naar mijn tweede leerdoel. Zo laat ik zien dat ik hier aan heb gewerkt. Deze zal ik hieronder neerzetten.
Ik wil beter leren reflecteren op proces in plaats van product.
Dit leerdoel heb ik opgezet voor de tussenevaluatie van het portfolio. Tijdens het gesprek met Ingrid kreeg ik de feedback dat ik nog te veel op product evalueer in plaats van reflecteer op een proces en het proces beschrijf. Het leerdoel is passend en ik ben er bewust mee aan de slag gegaan.
Wat ik binnen deze 8 weken heb gemerkt is dat als ik een leerdoel aan het beoefenen ben, het vaak in mijn hoofd omhoog komt. Zo heb ik bijvoorbeeld ervaren dat reflectie voor alle ervaringen ingezet kan worden. Ik wilde leren hoe ik na een situatie de situatie op een reflecterende manier kan beschrijven, maar was ook bezig met reflecteren op situaties terwijl deze gebeurden. Zo had ik meerdere situaties waarin ik het gevoel kreeg geïrriteerd of boos te worden, maar zette ik een stap terug en reflecteerde ik op de situatie. Wat gebeurt er nu precies? Waarom voel ik mij hier zo over? Tijdens het werkcollege meditatie 2 van Radha ging ik een gesprek aan over kwetsen. Zij vertelde mij dat als je je gekwetst voelt, dat iets in jou raakt, en dat niet per se over de ander gaat. Het drukt op een pijnlijke plek en daar reageer je dan op. Met dit inzicht ben ik verder gaan leren. Het is voorgekomen dat ik me gekwetst voelde omdat een collega op mijn werk me aansprak op het uitdelen van brood na school, terwijl dat op woensdag niet de bedoeling is. Ik voelde me daar overstuur van. Toen dacht ik aan wat Radha me vertelde en zag ik in dat ik me onzeker voelde over het goed willen doen, en dat het hard aankomt als iets met alle goede bedoelingen juist niet de bedoeling is, en daar feedback op komt die aanvoelt als streng. Dit is een collega waar ik veel respect voor heb en ik weet dat hij dit niet bedoelde op de manier zoals het voor mij voelde. Ik ervoer het als fijn dat het me lukte om op dat moment te reflecteren op wat er gebeurde en hoe dat mij deed voelen, want dat relativeert de situatie.
Nu ik aan het reflecteren ben op de competenties moet ik goed bewust nadenken wat ik neerzet, zodat het geen evaluatie wordt. Dit ervaar ik als moeilijk, maar ik ervaar het ook als duidelijker dan voor de tussenevaluatie. Nu weet ik wat er van mij verwacht wordt.
Procesgerichte feedback richt zich op de aanpak en strategieën die leerlingen gebruiken tijdens het leren. Daardoor krijgen leerlingen inzicht in hoe zij hun leerproces kunnen verbeteren, wat leidt tot diepgaander leren en meer zelfregulatie. (Coppieters, 2019). In het boek Effectieve feedback in het Onderwijs van Jan Coppieters spreekt hij over het belang van procesgerichte feedback naar leerlingen toe. Aangezien ik een leraar in opleiding ben heb ik geoefend met procesgerichte feedback naar mezelf, maar ik heb ook bewust procesgerichte feedback gegeven aan leerlingen. Ik ervaar dit als stimulerend voor de leerling.
Tussenreflectie - Competentie 2: Communicatie en dialoog
Voor deze competentie heb ik een leerdoel opgesteld. Ik ga de reflectie daarvan hier neerzetten. De reflectie is ook te vinden onder het kopje "leeragenda".
Week 1
Na het opstellen van het leerdoel ben ik begonnen met dialogen oefenen met collega's, één op één. Dit lukt mij best goed, ik durf dan met zekerheid te communiceren. Ik merk wel dat ik als er meer collega's bij zijn toch sneller in een passieve houding ga. Ik luister dan liever actief mee dan dat ik zelf input breng.
Week 2
Tijdens de colleges luister ik vooral mee. Ik vond het eerste college ethiek heel interessant, daar durfde ik wel inbreng te geven. Op deze dag heb ik ook leuk contact gehad met medestudenten, ik voelde me snel op mijn gemak. Ik durfde ook steeds meer mee te praten en dat was in groepsverband. Enthousiast heb ik deze dag afgesloten.
Week 4
Afgesproken met mijn instituutsopleider dat ik de oudergesprekken van groep 7 ga geven. Dit is goed om de communicatieve vaardigheden te oefenen.
Fijn gesprek gehad tijdens de les Bibliodrama (O. Boelens, persoonlijke communicatie, 3 maart 2026, 11:45). Het was toen niet moeilijk om iets voor de groep te vertellen.
Week 5
Deze week zijn de oudergesprekken van groep 7. Ik heb er 4 gegeven, want een van de ouders heeft afgebeld. Ik vond het erg spannend om te doen. Bij de eerste twee gesprekken merkte ik dat de taalbarrière het lastig maakt om een soepel gesprek te voeren. Ik raak dan ook gelijk gespannen, omdat het niet zo goed lukt als dat ik in mijn hoofd had. Ik kom niet op woorden, weet niet wat ik precies moet zeggen en merk dat ouders het niet begrijpen. Mijn collega Janna heeft met deze gesprekken geholpen. De andere twee gesprekken waren heel fijn en lukten ook goed.
Op de studiedag durfde ik in groepjes initiatief te nemen in het gesprek. Ik voelde me toen ook competent. Het was een groepje van 4 mensen.
Week 6
De les debat en dialoog was erg nuttig voor mij. Ik heb hierin goed kunnen oefenen met initiatief nemen in een gesprek, en merkte dat dat steeds meer vanzelf en onbewust gebeurde. "Meegedaan aan werkcollege debat en dialoog. Dit begon met een passieve houding, ik was alleen aan het woord als een medestudent mij het woord gaf. Naarmate we wat langer aan het praten waren, durfde ik steeds meer mee te gaan in het gesprek. Naderhand vertelde mijn medestudent dat hij merkte dat ik steeds meer durfde. Hij gaf aan dat hij en een andere student vooral begonnen, en onze vierde medestudent en ik eindigden met meer aan het woord zijn. Dit vond ik fijne feedback."
Week 7
Heel veel kunnen oefenen tijdens de inspiratiedriedaagse (Oosterhout, 17–19 maart 2026) in het klooster. Ik merkte zoveel verbinding met alle mensen om mij heen. De eerste uren ging ik expres in een passieve houding, het is een nieuwe situatie en de verwachtingen waren onduidelijk, maar ik werd steeds losser. Ik heb met bijna iedereen gesprekken gevoerd, individueel of in een groepje. Ook aan de eettafels durfde ik te praten en ook initiatief te nemen. Ik merkte dat tijdens deze driedaagse iedereen waardering heeft voor elkaars input en dat vond ik een fijne realisatie. De vrijdag na de driedaagse merkte ik ook dat het vanzelf ging dat ik begon te praten tijdens de borrel op werk. Ik had het gevoel dat ik mocht delen, dat mensen dat oké vinden en niet als een last ervaren.
Week 8
Ik voel me erg op mijn gemak met mijn medestudenten. Ik ervaar ook veel enthousiasme. Mijn streven was om het leerdoel deze week af te ronden, te behalen. Ik denk dat dat voor wat ik heb geleerd gelukt is. Ik kijk terug op de eerste week en durf veel meer. Natuurlijk ga ik nog door met oefenen en leren, want je bent nooit uitgeleerd. Ik voel me nu wel competent in mijn communicatievaardigheden.
Eindreflectie Competentie 2: Communicatie en dialoog
Voor het oefenen met communicatie en dialoog wil ik refereren naar het interview dat ik heb gehouden met iemand buiten de minor. Ik zal de informatie hieronder neerzetten.
Reflectie op interview met een 14jarige jongere
Voor een opdracht heb ik een interview gehouden met een jongen van 14 jaar, R, die momenteel niet naar school gaat en geen baan heeft. Hij heeft rechtse standpunten wat betreft politiek en bevindt zich in de manosphere. Ik was benieuwd of hij zich hiervoor zou openstellen. Ik ben me bewust van mijn eigen vooroordelen, want ik bevind mij op het linkse vlak wat betreft politiek en sta voor gelijke rechten voor iedereen.
Om het op een rij te zetten verschilt hij dus van mij op gebied van:
- Leeftijd
- Levensbeschouwelijke identiteit (visie op genderrollen, maatschappij etc.)
- Opleiding
- Gender
De vragen die ik heb voorbereid zijn:
- Hoe vind jij het om 14 jaar te zijn in de wereld van vandaag?
- Wat zijn de grootste voordelen ervan?
- Wat zijn de lastige dingen ervan?
- Heb je het gevoel dat er veel van jongeren verwacht wordt?
- Waar merk je dat aan?
- Zijn er invloeden van media in jouw leven?
- Denk je dat jongeren tegenwoordig meer of minder vrij zijn dan vroeger?
- Wanneer voel jij je het meest jezelf?
- Wat vind je belangrijk in het leven?
- Wat betekent respect voor jou?
- Is er iets waarvoor je je sterk zou willen maken in de wereld?
- Wat geeft jou hoop?
- Wat zou je willen veranderen aan de maatschappij waarin jongeren nu opgroeien?
Wat mij direct opviel was dat hij veel vragen moeilijk vond om te beantwoorden. Bij verschillende vragen bleef het lang stil of gaf hij korte antwoorden zoals "weet ik niet zo goed" of "daar heb ik nog nooit over nagedacht". In eerste instantie verraste dit mij, omdat ik verwachtte dat hij meer zou kunnen vertellen over zijn ervaringen en opvattingen. Naarmate het gesprek vorderde, realiseerde ik mij echter dat de vragen die ik stelde behoorlijk abstract waren en veel zelfreflectie vroegen.
Het gesprek maakte mij bewust van het feit dat niet iedere jongere gewend is om stil te staan bij onderwerpen zoals identiteit, maatschappelijke verwachtingen, hoop of de betekenis van respect. Vooral omdat deze jongen niet naar school gaat en weinig deelneemt aan maatschappelijke structuren zoals onderwijs of werk, leek hij minder vaak uitgenodigd te worden om over dergelijke onderwerpen na te denken. Toen ik hem vroeg over ‘wat vind je belangrijk in het leven?’ was zijn antwoord snel duidelijk: ‘geld.’ Ik herhaalde dit en zei: ‘en werk je nu ook?’ waarop hij antwoordde van niet. Hij vulde zijn antwoord hierna wel aan en vertelde me dat zijn familie en vrienden ook belangrijk voor hem zijn. Hier ging ik op in, ik vertelde op mijn beurt weer aan hem dat dat juist voor mij op nummer één staat. Ik vertelde over hoe verbinding voor mij heel belangrijk is en vroeg of dat bij hem ook zo was. Hij gaf aan van wel. Hij vond ook dat hij het best zichzelf kon zijn bij zijn vrienden.
Ik ervoer het als uitdagend om een dialoog te voeren met iemand die weinig sprak. Ik merkte dat een gesprek gemakkelijk kan veranderen in een vraag-en-antwoordmoment waarbij de ander alleen korte reacties geeft. Daarom probeerde ik actief ruimte te creëren door stiltes toe te laten, verduidelijkende vragen te stellen en aan te sluiten bij de antwoorden die hij wel gaf. In plaats van direct naar de volgende vraag te gaan, probeerde ik door te vragen op kleine opmerkingen die hij maakte. Ik gaf ook zelf voorbeelden bij vragen en gaf mijn eigen visie op deze onderwerpen. R vond het bijvoorbeeld moeilijk om antwoord te geven op de vraag: wat zijn de lastige dingen van opgroeien als 14-jarige in deze maatschappij? Ik vertelde dat ik het zelf toen ik 14 was heel lastig vond dat ik mezelf veel ging vergelijken met anderen en het voelde alsof het nooit goed genoeg was, want ik zag op social media veel mensen die er anders uitzagen dan ik.
Door vanuit zijn situatie te kijken, begreep ik beter dat hij mogelijk weinig gelegenheden krijgt om over dit soort vragen na te denken of hierover in gesprek te gaan. Ook besefte ik dat zijn dagelijkse realiteit anders is dan die van veel leeftijdsgenoten die naar school gaan en daar regelmatig worden uitgedaagd om te reflecteren op zichzelf en hun toekomst. Ik weet toevallig dat hij vooral rondhangt met zijn vrienden en wiet rookt. Dat verschilt heel erg van mijn dagelijks leven, ik ben nu naast werk, waar ik veel moet reflecteren en evalueren op handelen, ook bezig met deze minor, waarin er van mij gevraagd wordt dat ik veel dieper nadenk dan dat er van hem gevraagd wordt. Nu voelt het alsof er bij mij al meer aanleg is voor nadenken over diepere onderwerpen, ik ben veel bezig met het ontwikkelen van mijn mensbeeld en wereldbeeld, maar ik besefte me later dat hij daar helemaal geen ruimte voor heeft in zijn hoofd. Hij voelt de wereld als zo’n grote koepel die over hem heen hangt dat hij vlucht, waarbij hij zich dus wegtrekt in zijn kamer en niks doet. Hij voelt dus veel druk en tegelijkertijd weet hij niet wat hij moet doen of waar hij naartoe wil gaan in het leven. Ik vroeg door tijdens het gesprek over hoe hij de toekomst voor zich ziet en of hij een idee heeft waar hij naartoe wil, maar dit legt de vinger op de pijnlijke plek en hij gaf aan het echt niet te weten. Het gesprek liet mij zien hoe belangrijk het is om aan te sluiten bij de leefwereld van degene met wie je spreekt. Waar ik vooral geïnteresseerd was in zijn visie op de maatschappij, leek hij meer bezig met het hier en nu. Daardoor besefte ik dat een goed gesprek niet alleen afhangt van de vragen die je stelt, maar ook van de aansluiting tussen de vraag en de belevingswereld van de ander.
Het heeft mij geholpen om bewuster te worden van mijn eigen aannames en heeft mij laten ervaren hoe belangrijk perspectiefwisseling is. Door niet alleen vanuit mijn eigen verwachtingen naar het gesprek te kijken, maar ook te proberen de situatie door de ogen van de ander te zien, ontstond er meer begrip voor zijn reacties en zijn manier van communiceren. Een volgende keer zal ik beginnen met wat luchtigere vragen, om het gesprek op gang te laten komen en zodat degene waarmee ik een dialoog voer zich wat meer kan openstellen.
Wat mij het meest is bijgebleven, is dat het ontbreken van een antwoord ook betekenisvol kan zijn. Het liet mij zien dat zelfreflectie niet voor iedereen vanzelfsprekend is en dat sommige jongeren eerst veiligheid, vertrouwen en tijd nodig hebben voordat zij hun gedachten en gevoelens kunnen verwoorden. Ik vind het ook een mooie aanvulling op mijn mensbeeld dat de ‘rechtse jongens’ die ik zie als gevaar voor gelijkheid, eigenlijk heel kwetsbaar zijn als ze zichzelf zijn. R heeft zich niet zozeer geopend voor de moeilijke vragen die ik stelde, maar ik zag wel hemzelf, zoals hij echt is, en ik kon ook aan hem lezen dat hij het eigenlijk heel moeilijk vindt om uit te zoeken wie hij is en wat hij wil.
Naast het spreken van iemand buiten de minor ben ik ook bewust bezig geweest met deze competentie op mijn werk (en practicumplek). Tijdens het oefenen van de competentie heb ik de vier kwadranten van Roos van Leary in mijn hoofd gehouden:
Daarbij heb ik het meest gefocust op ‘samengedrag’: de leerkracht laat zien dat hij geïnteresseerd is in de ouders die voor hem zitten. Hij vindt de relatie en sfeer belangrijk en daarom heeft hij de klas ook ‘leuk aangekleed’. Hij stelt ouders op hun gemak. Regelmatig zegt hij positieve dingen en hij stelt allerlei vragen. Hij benadrukt dat hij samen met de ouders wil werken aan het beste voor hun kind. (Bolks, 2021). Ik heb meerdere oudergesprekken gevoerd waarbij ik de focus heb gelegd op samengedrag.
Bij het contact met kinderen is het van belang dat het kind als volwaardig gesprekspartner beschouwt wordt. Ik voer elke dag op mijn werk veel gesprekken met kinderen. Dit is in verschillende situaties; instructies geven, samen sparren, feedback geven, luisteren, naar oplossingen zoeken etc.
Tussenreflectie - Competentie 3: Hermeneutiek
In het dagelijks leven en in mijn werk (onderwijsassistent) lukt het mij goed om een oordeel uit te kunnen stellen voordat ik begrijp wat de ander bedoelt. Met kinderen en ouders kan ik ook prima mezelf openstellen voor hun visie en perspectief. Ik kan goed luisteren en heb veel geduld.
Ik merk wel dat ik buiten de professionele sfeer wel eens moeite kan hebben met het accepteren van de mening van een ander als dit mij raakt. Als voorbeeld pak ik bijvoorbeeld dierenrechten- en welzijn uit de ethische filosofie. Ik ben hier zelf veel mee bezig en heb er een sterke mening over. Als deze botst met een ander, raak ik gefrustreerd en kan ik in de verdediging gaan. Ik kan dan geen ruimte maken om een ander perspectief aan te horen, omdat ik zo standvast sta in mijn eigen standpunt. Daarom heb ik voor deze competentie een nieuw leerdoel opgesteld.
Voor het schrijven van mijn levensbeschouwelijk portret heb ik gevraagd naar het mensbeeld, godsbeeld en wereldbeeld van een van mijn begeleiders en collega op mijn practicumplaats. Hij vertelde over zijn godsbeeld, hij is moslim en dit was een ander beeld dan ik heb. We hebben daarna een dialoog gevoerd over wat zijn perspectief was en wat de mijne. Het lukte mij hier wel goed om een stap terug te zetten en te luisteren naar wat zijn perspectief was. Ik kan dan ook op een niet-oordelende manier mijn eigen perspectief verwoorden. Er ontstond geen discussie en het was eigenlijk een heel fijn gesprek. (A. Ünlu, persoonlijke communicatie, 6 maart 2026, 15:30).
Eindreflectie Competentie 3: Hermeneutiek
Om aan te tonen dat ik aan deze competentie heb gewerkt wil ik verwijzen naar de procesreflectie van mijn derde leerdoel. Deze zal hieronder te vinden zijn.
Procesreflectie leerdoel 3
Ik wil bereiken om zonder oordeel of gelijk op iemand in te gaan te kunnen luisteren naar en accepteren van een andere mening.
Tijdens het verdiepen van de competentie hermeneutiek heb ik ontdekt dat deze competentie nodig is bij het werken in het onderwijs, zoals het begrijpen van mensen en situaties. Ik ben gedurende het proces in gaan zien dat ik hier dagelijks mee bezig ben als leerkracht in wording.
Ouders, collega’s en kinderen kijken vanuit verschillende perspectieven. Ik ben daardoor bewuster gaan nadenken over hoe ik betekenis geef aan gedrag. Ik weet dat ik bij kinderen altijd verder moet kijken dan het gedrag wat ik zie (wat zit erachter?) maar ben hier nu ook bewuster naar gaan kijken wat betreft ouders. ik ben geneigd snel conclusies te trekken, terwijl een hermeneutische houding vraagt om eerst te onderzoeken welke betekenis iemand aan een situatie geeft. Ik ben gaan nadenken over hoe belangrijk het stellen van vragen is om het perspectief van iemand anders te kunnen begrijpen. In oudergesprekken ben ik hier bewust mee aan de slag gegaan. Een voorbeeld hiervan is een ouder die naar mij toe kwam met dat haar dochter zo gepest werd in de klas en dat zij altijd het doelwit zou zijn. Ik zie haar dochter zelf in de klas en zie ook dat er van beide kanten uitgedaagd wordt, dus ik trek daarin snel een conclusie. Ik ben daarna gaan nadenken en begreep dat deze moeder een ander perspectief ziet waarin zij het gevoel heeft dat haar dochter het doelwit is van een andere leerling. Ik heb daarna een gesprek met haar gevoerd waarin ik heb uitgelegd dat ik snap dat zij zich zo voelt en dat het absoluut de bedoeling is dat haar dochter zich veilig voelt op school en dat wij er alles aan doen om dat te bieden. Ik heb daarna uitgelegd dat de leerling het nog moet leren om op zichzelf te letten en dat haar dochter uit onschuldigheid onhandige keuzes kan maken. Zus was ook bij dit gesprek en kon beamen dat het klopt dat de dochter zelf ook wel eens kan uitdagen. We hebben toen afgesproken dat we het goed gaan monitoren en dat er contact gelegd wordt waar nodig. Zo werd er rekening gehouden met alle gevoelens en perspectieven.
Voor een onderzoeksverslag wat ik moet afronden voor jaar 3 heb ik als vraag: ‘hoe kunnen we van curatief handelen naar preventief handelen (op gebied van gedrag van leerlingen in de klas)?’ Hierbij komt hermeneutiek gelijk naar voren, want om preventief te kunnen handelen is het belangrijk om gedrag te begrijpen. Als gezien wordt wat erachter zit, kan er preventief gehandeld worden. Zo is er bij gedrag bijvoorbeeld een relationeel aspect, waarbij het gedrag van de leerling beinvloed wordt door de leerkracht. Als de leerling brutaal is, wordt de leerkracht boos. Als de leerling faalangst heeft, kan de leerkracht geïrriteerd raken. Op deze manier kunnen specifieke interactiepatronen ontstaan die een zekere stabiliteit krijgen. Het gedrag van leerlingen heeft invoed op de leraar, maar het is ook zo dat kenmerken van de leraar de leerling beïnvloeden. De leraar-leerling interactie kan gezien worden als het product van de gecombineerde kenmerken van leraar en leerling. Beiden brengen hun kenmerken en dus hun gedrag in (Van der Wolf, 2011). Om preventief te handelen is het beheersen van de competentie hermeneutiek dus van belang. De afgelopen weken heb ik in de klas bewust nagedacht en gehandeld als er een gedragsvraag lag. Er was bijvoorbeeld een leerling die niet aan het werk ging. Ook na meerdere keren vragen deed hij het niet. Ik ben toen gaan nadenken en heb vragen aan hem gesteld zoals: ‘weet je waarom het niet lukt om dit te maken?’ of ‘wat heb je nu van mij nodig?’ Het bleek dat deze leerling het erg moeilijk vond om de sommen te maken en na samen overleg hebben we een rekenrekje en fiches gepakt. Ik ben ernaast gaan zitten en heb het uitgelegd. Na een aantal minuten heb ik gevraagd of de leerling het gevoel had dat hij verder kon en hij gaf aan dat hij dat kon. Zo heb ik door dieper te kijken waar gedrag vandaan komt, in plaats van alleen straffen als een leerling ongewenst gedrag laat zien, een oplossing gevonden voor het probleem.
Als conclusie wil ik aangeven dat ik merk dat ik na deze weken bewust om ga met gedragsvragen en contact met anderen. Bij elke situatie waarin het lastiger wordt, ga ik nadenken over hoe een ander er in staat.
Hermeneutiek in het onderwijs vraagt kunnen kijken vanuit verschillende perspectieven om gedrag te begrijpen. Aangezien er veel gedragsproblematiek is op mijn werkplek is dit voor mij deel van het dagelijks leven. Ik ben bezig geweest met het interpreteren en begrijpen van gedrag en preventief handelen. Hiervoor gebruik ik bijvoorbeeld het differentiatiemodel van Gagné (1999).
Door te kijken naar kinderen via verschillende perspectieven wordt duidelijker wat een kind nodig heeft. Ik heb op mijn werk de verschillende delen bekeken en gerelateerd aan kinderen die het gewenste gedrag vertonen nog moeten leren.
Tussenreflectie - Competentie 4: Spiritualiteit en bewogenheid
Over mijn eigen inspiratiebronnen en drijfveren heb ik veel nagedacht voor het levensbeschouwelijk portret en de trainingsvraag spiritualiteit. Mijn inspiratie komt vooral voort uit mensen waar ik naar op kijk en creatieve uitingen. Muziek is voor mij heel belangrijk, ik kan daar veel om voelen en mezelf erin vinden. Ik maak ook graag muziek. Ik zing of speel gitaar. Ik schrijf ook wel eens liedjes. Maar zonder muziek vind ik het ook fijn om te schrijven, ik schrijf graag stukjes tekst, of ik het poëzie mag noemen laat ik over aan de lezer. Mijn drijfveren zijn vooral de mensen om mij heen waar ik van houd. Zij motiveren mij om door te gaan, om te dromen en er alles aan te doen om deze dromen waar te maken.
"Het adjectief spiritueel duidt, normatief gebruikt, namelijk niet alleen een wijze aan waarop mensen nu eenmaal ingesteld zijn — maar geeft aan dat iemand doelbewust tracht te leven vanuit een voortdurend aandachtige instelling of levenshouding, en zich daarbij laat richten door wat hem of haar ten diepste beweegt." (Roothaan, A., 2007).
Na de driedaagse ben ik erachter gekomen dat de verbinding en liefde die ik heb, wil geven en wil ontvangen hetgeen is dat mij ten diepste beweegt. Mijn geliefden zijn zowel mijn inspiratiebronnen als drijfveren. Ik hecht veel waarde aan de muziek die mij doet denken aan mijn ouders, ik kan dan ook echt een warme stroom energie door mijn lichaam voelen vloeien. De zin van mijn leven op dit moment is werken aan mijn toekomst, zodat ik met lieve mensen en dieren om mij heen kan wonen en leven.
Zoals ik al bij competentie 1 heb omschreven ben ik bewuster bezig met gevoelens en reacties in gesprek met mensen. Ik neem eerder een stapje terug en denk na voordat ik iets doe of zeg. Ik heb ook mooie inzichten gekregen in het werkcollege bibliodrama, waar uit blijkt dat ik chaotisch denk en eigenwijs ben. In dit werkcollege kwam ik tot het inzicht dat ik frustratie afreageer. Pas bij de driedaagse kwam ik erachter dat dit komt door emoties opkroppen.
De trainingsvraag spiritualiteit — "wat voor effect heeft het als ik meer over mijn innerlijk leven deel?" — gaat mij de volgende periode bezighouden. De inzichten heb ik gekregen over waar ik aan wil werken en welk proces ik aan wil gaan. Nu ga ik ermee aan de slag.
Eindreflectie Competentie 4: Spiritualiteit en bewogenheid
Binnen de competentie spiritualiteit staat voor mij het bewust worden van wie ik ben, wat mij beweegt en hoe ik vanuit authenticiteit verbinding maak met anderen centraal. Gedurende mijn opleiding heb ik gewerkt aan mijn trainingsvraag rondom het beter uiten van mijn emoties, het openstellen naar anderen en het accepteren van mezelf. Dit proces heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan mijn persoonlijke en professionele ontwikkeling.
Aan het begin van de minor vond ik het lastig om mijn gevoelens te delen. Ik hield emoties vaak voor mezelf en was geneigd om mij aan te passen aan de verwachtingen van anderen. Hierdoor liet ik niet altijd zien wat er werkelijk in mij omging. Daar uit kwamen dan weer uitbarstingen van heel veel emoties in één keer richting de mensen die ik juist lief heb. Daar wilde ik aan werken. Vanuit mijn trainingsvraag ben ik bewust gaan oefenen met het benoemen van gevoelens, zowel binnen de minor als in contact met medestudenten, docenten en mensen in mijn inner circle. Dit was soms spannend, omdat het kwetsbaarheid van mij vroeg. Door hier stap voor stap mee te oefenen merkte ik dat openheid juist leidde tot meer begrip, vertrouwen en verbinding.
Daarnaast heb ik geleerd om mezelf meer open te stellen. Waar ik eerst gericht was op hoe anderen mij zagen, ben ik gedurende de minor meer gaan onderzoeken wat voor mij belangrijk is. Door reflectiegesprekken, feedbackmomenten en de trainingsvraag Spiritualiteit trainen kreeg ik steeds meer inzicht in mijn handelen en hoe ik meer balans kan krijgen in mijn leven.
Een belangrijk onderdeel van dit proces was het leren accepteren van mezelf. Ik ontdekte dat ik vaak kritisch naar mezelf keek en veel nadruk legde op wat beter kon. Gedurende de minor heb ik geleerd om niet alleen mijn ontwikkelpunten te zien, maar ook mijn kwaliteiten te erkennen. Hierdoor ben ik milder naar mezelf geworden en heb ik meer vertrouwen gekregen in mijn eigen kunnen.
Deze ontwikkeling sluit aan bij de visie van Roothaan (2007), waarin spiritualiteit wordt gezien als het proces waarin mensen zoeken naar betekenis, verbondenheid en authenticiteit. Door bewuster stil te staan bij mijn gevoelens, waarden en persoonlijke groei heb ik meer inzicht gekregen in wie ik ben en hoe ik in relatie sta tot anderen. Mijn ontwikkeling op het gebied van emoties uiten, mezelf openstellen en zelfacceptatie heeft mij geholpen om vanuit meer echtheid en verbinding te handelen, zowel persoonlijk als professioneel.
Terugkijkend zie ik dat mijn trainingsvraag niet alleen heeft geleid tot zichtbare gedragsveranderingen, maar vooral tot een diepere bewustwording van mezelf. Dit proces blijft zich ontwikkelen en vormt een belangrijke basis voor mijn verdere professionele groei. Ik ben nu bewuster van mijn acties en gedachtes, en kan een stap terug zetten om te reflecteren op situaties voordat ik erop handel.
Tussenreflectie - Competentie 5: Esthetiek
Ik denk dat ik deze competentie al best goed beheers. Ik ben zelf altijd veel bezig met kunstuitingen en wil mezelf ook graag uitdrukken. Wat ik zelf al doe is gedichten schrijven, liedjes schrijven, muziek maken en toneelspelen. Daar kan ik ook mijn gedachtes en emoties in kwijt. Ik kan ook interpretaties geven aan kunstuitingen die ik niet gemaakt/uitgevoerd heb en daar mijn eigen gevoelens bij hebben. Zo heb ik bijvoorbeeld een toneelstuk gezien toen ik meeging met de bovenbouw op mijn practicumplaats naar de Schouwburg Utrecht. Het stuk leek mij te gaan over angst, iets niet durven en er dan toch uiteindelijk overheen kunnen komen. Ik vond dit zo inspirerend, vooral omdat ik toen heel erg met angstige gevoelens zat tijdens het paardrijden. Na deze voorstelling, en ook muziek zoals Mr. Fear van SIAMES, is het ook beter gelukt om angst te kunnen overkomen. Op mijn practicumplaats geef ik ook graag creatieve lessen. Dit kan beeldende vorming zijn, drama en soms dans. Daarbij is het heel belangrijk om de fantasie, creativiteit en het zelfvertrouwen van de leerlingen te stimuleren. Ik doe dat door zelf een voorbeeldfunctie in te zetten. Volgens De Nooij, H. (2017) is creativiteit 'iets concreets doen' met je fantasie, en daartoe is zelfvertrouwen nodig.
In het werkcollege beeldende vorming en op de inspiratiedriedaagse hebben we op gevoel op muziek geschilderd. Dit was nieuw voor mij, eerst nog onwennig. Ik vond het wel fijn om te doen. Ik merkte dat ik er eerst onzeker van werd — 'doe ik het wel goed?' Zo gauw ik dit los kon laten, en vooral het stukje dat het niet iets moois hoeft te worden, is het echt rustgevend om dit te doen.
Wat ik vroeger wel eens gedaan heb en nu weer op wil pakken is dansen op muziek op gevoel. Het horen van de muziek en mijn lichaam laten leiden hoe het zich daarop voelt. Ik vond dit vroeger heel fijn maar doe het eigenlijk niet meer. Dit is ook iets om nog op te pakken met de trainingsvraag spiritualiteit, omdat ik hierin mijn emoties kan uiten.
Eindreflectie Competentie 5: Esthetiek
Om aan te tonen dat ik heb gewerkt aan competentie 5 refereer ik naar de 9-hulpvragen. Deze staan hieronder. De expositie heet Filosofie van een materialist, Martin uit den Bogaard, 2004.
9 Hulpvragen bij reflectie in werkcolleges, spiritualiteitslessen, excursies, etc.
- Wat was jouw intentie van tevoren? Hoe stapte je erin?
Ik ging de expositie in met een open houding en de intentie om mij te laten verrassen door de kunstwerken en de visie van de kunstenaar. Tegelijk wist ik dat de thema's leven en dood mij persoonlijk raken en dat deze onderwerpen mogelijk confronterend zouden zijn. Ik wilde onderzoeken wat de expositie bij mij zou oproepen.
- Wat gebeurde er feitelijk?
Tijdens de expositie las ik de visie van Martin uit den Bogaard op het leven als materialist. Hij schreef over de eindigheid van het bestaan en over de gedachte dat er na de dood mogelijk niets meer is. Zijn kunstwerken ondersteunden deze visie en nodigden uit om na te denken over de betekenis van leven en sterfelijkheid. Ik las zijn verhaal, bekeek de kunstwerken en nam de tijd om stil te staan bij wat dit bij mij opriep.
- Welk gevoel overheerste er? Wat waren jouw gevoelens?
Het gevoel dat het meest overheerste was confrontatie. De thema's leven en dood raken aan een angst die ik zelf ervaar. Tegelijk voelde ik ook verwondering en bewondering voor de manier waarop de kunstenaar deze onderwerpen bespreekbaar maakte. Er was spanning, maar ook nieuwsgierigheid. Ondanks de confrontatie vond ik de expositie mooi en waardevol.
- Wat dacht je?
k dacht regelmatig na over mijn eigen opvattingen rondom leven en dood. Ik merkte dat de uitspraken van de kunstenaar soms botsten met mijn behoefte aan zekerheid over wat er na de dood gebeurt. Ook dacht ik: hoe kan iemand zo rustig spreken over iets waar ik juist angst voor voel? Tegelijk vroeg ik mij af waarom deze angst zo sterk aanwezig is in mijn eigen leven.
- Wat deed je en hoe deed je het?
Ik las aandachtig de uitleg van de kunstenaar en probeerde mijn eerste reactie niet direct te beoordelen. In plaats van afstand te nemen van zijn visie, probeerde ik nieuwsgierig te blijven naar zijn perspectief. Ik stelde mijzelf open voor de ervaring, ook al voelde ik ongemak. Vanuit mijn eigen levensoriëntatie merkte ik dat ik zoek naar betekenis en houvast rondom existentiële vragen. Juist daarom raakte deze expositie mij.
- Kun je deze ervaring (in feite een samenvatting van vragen 2-5) verbinden met iets uit jouw eigen levensverhaal?
Deze ervaring sluit aan bij een angst die ik al langer met mij meedraag rondom de dood en de eindigheid van het leven. Vragen over wat er na de dood gebeurt of wat de uiteindelijke betekenis van het leven is, houden mij regelmatig bezig. Daarom voelde de expositie niet als een vervanmijnbedshow, maar als een directe confrontatie met vragen waar ik zelf mee worstel. Tegelijk gaf het mij de mogelijkheid om deze vragen vanuit een ander perspectief te bekijken.
- Ongeacht jouw beleving, jouw ervaring, jouw bovenstaande reflectie de vraag: wat was er bij de ander, die jou deze ervaring bezorgt, belangrijk, wat was er werkelijk van waarde? Omschrijf dat. (oefening in empathie)
Wat voor Martin uit den Bogaard volgens mij van waarde was, is het eerlijk onder ogen zien van de eindigheid van het leven. Ik kreeg de indruk dat hij mensen wilde uitnodigen om na te denken over wat werkelijk belangrijk is wanneer het leven niet vanzelfsprekend is. Daarnaast leek het belangrijk voor hem om zijn eigen visie openlijk te delen, zonder deze aan anderen op te leggen. Hij creëerde ruimte voor reflectie en persoonlijke betekenisgeving.
- Op welke wijze verbind je het antwoord van vraag 7 met jouw eigen kernwaarde?
Een belangrijke kernwaarde voor mij is openheid. Hoewel ik niet alle opvattingen van de kunstenaar deel, waardeer ik het dat hij moeilijke onderwerpen niet uit de weg gaat. Dat sluit aan bij mijn eigen wens om open te blijven staan voor andere perspectieven, juist wanneer deze vragen oproepen of spanning veroorzaken. Ook verbind ik dit aan mijn kernwaarde persoonlijke groei: ontwikkeling ontstaat vaak wanneer je geconfronteerd wordt met onderwerpen die ongemakkelijk voelen.
- Welke wijsheid neem je mee uit deze ervaring?
Waar ben ik achter gekomen?Ik ben erachter gekomen dat confrontatie niet altijd iets negatiefs hoeft te zijn. Juist door stil te staan bij onderwerpen die angst oproepen, ontstaat ruimte voor verdieping en zelfinzicht. Daarnaast heb ik geleerd dat mensen heel verschillend kunnen omgaan met vragen over leven en dood, zonder dat één perspectief direct beter of slechter is dan een ander. De wijsheid die ik meeneem is dat het waardevol kan zijn om existentiële vragen niet direct op te lossen, maar ze soms simpelweg te onderzoeken en te verdragen.
Tussenreflectie - Competentie 6: Ethisch gefundeerd handelen & normatieve professionalisering
Tijdens het hoorcollege Ethiek III hebben we het gehad over dierenrechten en mochten we een tekst lezen en deze presenteren. De tekst is: Ethics and the New Animal Liberation Movement, Peter Singer (ed), (In Defense of Animals, New York: Basil Blackwell, 1985, pp. 1–10). Ook hebben we er in een groepje een gesprek over gehad. Dit onderwerp past heel goed bij waar ik me veel mee bezig houd en ik vond het heel interessant om hier een filosofische tekst over te lezen. Ik ga deze ook gebruiken in mijn essay. Het gesprek ervoer ik als respectvol, open en er was ruimte voor ieders inbreng. Ik verwoordde mijn standpunt wat betreft dierproeven.
Over waarden heb ik veel nagedacht tijdens het schrijven van mijn levensbeschouwelijk portret. Ik vind het belangrijk dat alle kinderen kansengelijkheid krijgen. Hier kan ik gelijk iets mee: ik werk in het onderwijs op een SBO in een achterstandswijk. Zo draag ik bij aan de maatschappij. Ik heb ook een koksopleiding gedaan maar deze niet afgemaakt, omdat ik het waardevolle stukje bijdrage aan de maatschappij miste. Ik miste het helpen van andere mensen die het moeilijk hebben, in plaats van eten voor rijke bedrijven verzorgen. Ik werk ook bewust op een SBO-school; op andere stages, die in een betere wijk lagen, heb ik ervaren dat dit niet iets voor mij is. Ik wil specifiek iets kunnen bijdragen aan de kansengelijkheid van kinderen.
Eindreflectie Competentie 6: Ethisch gefundeerd handelen & normatieve professionalisering
Om aan te tonen dat ik aan deze competentie heb gewerkt wil ik refereren naar de 9-hulpvragen. Het is een reflectie op een moreel beraad op mijn werkplek over een complexe situatie met een leerling. Deze zal ik hieronder zetten.
9 Hulpvragen bij reflectie in werkcolleges, spiritualiteitslessen, excursies, etc.
- Wat was jouw intentie van tevoren? Hoe stapte je erin?
Vooraf wilde ik vooral begrijpen hoe mijn collega's naar dit dilemma keken. Ik merkte dat ik zelf al sympathie voelde voor het standpunt dat een schorsing schadelijk kan zijn voor een leerling met traumaervaringen. Daarom nam ik mij voor om open te luisteren en niet direct vanuit mijn eigen overtuiging te reageren. Mijn intentie was om ruimte te geven aan verschillende perspectieven en samen te onderzoeken welke waarden in dit dilemma een rol spelen.
- Wat gebeurde er feitelijk?
Tijdens het moreel beraad werd de casus besproken van een leerling die regelmatig onveilig gedrag vertoonde richting andere leerlingen en medewerkers. De vraag was of schorsing in deze situatie verantwoord zou zijn. Collega's benoemden verschillende perspectieven. Sommigen vonden dat de veiligheid van de groep altijd voorop moet staan, terwijl anderen benadrukten dat een schorsing door deze leerling mogelijk wordt ervaren als een bevestiging van eerdere afwijzingen. In het gesprek werden de waarden veiligheid, zorg, verantwoordelijkheid, inclusie en rechtvaardigheid onderzocht.
- Welk gevoel overheerste er? Wat waren jouw gevoelens?
Ik voelde vooral betrokkenheid en nieuwsgierigheid. Tegelijkertijd merkte ik dat het dilemma mij raakte omdat beide kanten voor mij begrijpelijk waren. Ik voelde spanning tussen het beschermen van de groep en het ondersteunen van een kwetsbare leerling. Die spanning bleef gedurende het gesprek aanwezig.
- Wat dacht je?
Ik dacht regelmatig dat er geen eenvoudige oplossing bestaat voor dit dilemma. Tijdens het luisteren naar collega's realiseerde ik mij dat ik aanvankelijk vooral gericht was op het belang van de individuele leerling. Door de bijdragen van anderen werd ik mij bewuster van de verantwoordelijkheid die een school ook heeft naar de rest van de groep en het personeel. Ik vroeg mij af hoe je als leerkracht recht kunt doen aan beide belangen zonder een van beide tekort te doen.
- Wat deed je en hoe deed je het?
Tijdens het beraad probeerde ik actief te luisteren naar de verschillende bijdragen. Ik stelde open vragen zoals: "Wat maakt veiligheid in deze situatie voor jou de belangrijkste waarde?" en "Hoe zou een leerling deze maatregel volgens jou kunnen ervaren?" Door deze vragen ontstond meer inzicht in de achterliggende waarden van collega's. Daarnaast probeerde ik verbindingen te leggen tussen verschillende standpunten door te benoemen dat zowel de collega's die veiligheid benadrukten als de collega's die traumasensitief handelen centraal stelden uiteindelijk hetzelfde doel hadden: het welzijn van kinderen bevorderen. Hierdoor ontstond ruimte voor wederzijds begrip in plaats van een discussie waarin standpunten tegenover elkaar kwamen te staan. Het moreel beraad hielp mij om niet direct naar oplossingen te zoeken, maar eerst gezamenlijk te onderzoeken welke waarden en belangen een rol speelden. Ik merkte dat deze gespreksvorm ervoor zorgde dat iedereen gehoord werd en dat er ruimte was voor nuance.
- Kun je deze ervaring (in feite een samenvatting van vragen 2-5) verbinden met iets uit jouw eigen levensverhaal?
Deze ervaring sluit aan bij mijn ontwikkeling als leerkracht. Ik merk dat ik van nature sterk gericht ben op begrip tonen voor de individuele leerling en het zoeken naar de oorzaak achter gedrag. Daardoor kijk ik vaak eerst naar de behoeften van het kind. Dit beraad liet mij zien dat professioneel handelen soms vraagt om meerdere perspectieven tegelijkertijd vast te houden. Dit past ook bij hermeneutiek. Ik leerde dat aandacht voor de individuele leerling niet betekent dat de belangen van anderen minder belangrijk zijn.
- Ongeacht jouw beleving, jouw ervaring, jouw bovenstaande reflectie de vraag: wat was er bij de ander, die jou deze ervaring bezorgt, belangrijk, wat was er werkelijk van waarde? Omschrijf dat. (oefening in empathie)
Voor collega's die veiligheid centraal stelden, was het beschermen van medeleerlingen en medewerkers van grote waarde. Zij benadrukten dat ieder kind recht heeft op een veilige leeromgeving. Voor collega's die vooral het traumasensitieve perspectief benadrukten, was het van waarde dat een leerling niet opnieuw een ervaring van afwijzing of uitsluiting zou meemaken. Door goed te luisteren ontdekte ik dat beide perspectieven voortkwamen uit zorg voor kinderen.
- Op welke wijze verbind je het antwoord van vraag 7 met jouw eigen kernwaarde?
Een belangrijke kernwaarde voor mij is verbinding. Tijdens het beraad probeerde ik niet te kiezen tussen beide perspectieven, maar te onderzoeken hoe zij zich tot elkaar verhouden. Daarnaast sluit het aan bij mijn kernwaarde respect: zowel de behoefte aan veiligheid als de behoefte aan begrip verdienen erkenning. Ik heb ervaren dat verbinding ontstaat wanneer mensen zich gehoord voelen, ook wanneer zij het niet met elkaar eens zijn.
- Welke wijsheid neem je mee uit deze ervaring?
Waar ben ik achter gekomen?Deze ervaring heeft mij geleerd dat ethische vraagstukken in het onderwijs vaak geen perfecte oplossing kennen. Het belangrijkste inzicht dat ik meeneem is dat zorgvuldig luisteren naar verschillende perspectieven noodzakelijk is om tot een afgewogen besluit te komen. Ik heb ervaren dat dialoog helpt om voorbij standpunten te kijken en zicht te krijgen op de waarden die daaronder liggen. Als toekomstige leerkracht wil ik deze houding blijven ontwikkelen, zodat ik niet alleen oog heb voor gedrag, maar ook voor de betekenis die dat gedrag en mijn handelen voor anderen hebben.
De kenmerken van een moreel beraad zijn volgens Hans van Dartel (2014):
Binnen een moreel beraad staat een morele vraag centraal.
Dat was bij ons : Is het ethisch om een leerling te schorsen die onveilig gedrag vertoont, terwijl deze leerling een schorsing mogelijk ervaart als afwijzing en dit daardoor niet traumasensitief handelen is?
Binnen een moreel beraad is er sprake van een onderzoek naar de betekenis, vooronderstellingen en antwoorden op die morele vraag.
We hebben gesproken over wat de verschillende perspectieven waren van iedereen en welke consequenties onze keuzes zouden hebben.
Een moreel beraad is primair een gezamenlijke dialoog over ons eigen denken over een specifieke morele vraag in een casus of ervaring.
Wij hebben samen nagedacht en onze meningen gegeven. Er was ruimte voor iedereen om zich uit te spreken of een kritische vraag of opvatting neer te leggen.
In een moreel beraad worden deelnemers uitgenodigd om over zichzelf te denken en te spreken.
Ieders mening mocht gedeeld worden. Zo waren de meningen verschillend.
Emoties dienen altijd het onderzoek van een moreel beraad, maar zijn niet het doel van het moreel beraad. Emoties binnen een moreel beraad zijn van groot belang zolang de emotie het moreel beraad niet in de weg zit.
Tijdens het moreel beraad waren er veel emoties. Er kwamen twee dominante perspectieven naar boven. Het ene perspectief was dat er traumasensitief gehandeld moet worden met deze leerling, om succes zo veel mogelijk te stimuleren. Het andere perspectief was dat dit ten koste gaat van de veiligheid van de andere leerlingen, en het daarom geen ethische keuze is om deze leerling geen consequentie te geven.
Ook het deel Normatieve Professionalisering met een uitgewerkte casus toont aan dat ik aan deze competentie gewerkt heb. Dit bewijsstuk zet ik bij competentie 7 en is daar, en ook als apart kopje op de website, te vinden.
Tussenreflectie - Competentie 7: Sociale en maatschappelijke positionering
De bijdrage die ik lever aan de maatschappij bestaat uit verschillende dingen. Ik vind dat ik bijdraag aan een zorgzame maatschappij door veganistisch te leven — hierdoor kom ik op voor dierenrechten en dierenwelzijn en ook voor het klimaat. Ook draag ik bij aan de maatschappij door te werken op een speciale basisschool in een arme wijk (zie competentie 6). Ik zie mezelf als flexibel en sta meestal open voor vernieuwingen. In mijn levensbeschouwelijk portret is te zien dat ik mijn visie kan uitdrukken op de samenleving; dit staat in het stukje mensbeeld en wereldbeeld. Wat mij opviel is dat mijn beelden als burger negatief zijn en als professional juist positief. Als burger kijk ik vooral vanuit een donkere bril, ik vind dat er veel negatiefs in de wereld afspeelt. Als professional kijk ik juist door een lichte bril: ik stel hoge verwachtingen van leerlingen, zie altijd het goede in ze en doe er alles aan om ze zo goed mogelijk te helpen. Ik vond het opvallend om erachter te komen dat er zo'n verschil zit in de rol als burger en de rol als professional. Ik denk dat ik me tussen de fases van het individuatieve-reflectieve stadium en het conjunctieve stadium van kijken naar spiritualiteit en geloof bevind. In het individuatieve-reflectieve stadium worden waarden overpeinsd. Ik begrijp dat mijn opvatting er een van vele is en dat er meerdere vormen van levensbeschouwing zijn. Nu baan ik me een weg naar het conjunctieve stadium, waarin ik een breed, veelomvattend beeld van spiritualiteit en de mensheid ontwikkel. Ik zie de mensheid als een geheel en probeer het gemeenschappelijk welzijn te bevorderen. (Feldman, R. S., 2019. Ontwikkelingspsychologie, 8e editie. Amsterdam: Pearson Benelux B.V.) Ik kan nu op individueel niveau kijken naar wat de levensbeschouwing en waarden en normen van mensen zijn, maar kan dat ook koppelen aan een geheel.
Eindreflectie Competentie 7: Sociale en maatschappelijke positionering
Om te laten zien dat ik heb gewerkt aan deze competentie wil ik refereren naar het uitgewerkte Ui-model van Korthagen. Het Ui-model van Korthagen ondersteunt betekenisvolle reflectie doordat het externe ervaringen verbindt met interne processen zoals gevoelens, overtuigingen en kwaliteiten. Hierdoor ontstaat dieper inzicht in het eigen handelen, wat leidt tot bewustere keuzes en duurzame professionele ontwikkeling (Korthagen, 2013). In dit geval wordt het model gebruikt als meta-reflectie op de ontwikkeling tijdens de minor.
Naast de uitwerking van het Ui-model laat ik zien dat ik aan deze competentie heb gewerkt door een casus uit te werken aan de hand van Normatieve Professionalisering.
Casus normatieve professionalisering
Moreel dilemma op de werkvloerIk ben van mening dat het fysiek aanraken van een kind echt het laatste middel is om gedrag te corrigeren. Als de noodzaak er is en ik moet het wel inzetten doe ik dat op de manier waarop wij dit geleerd hebben als team tijdens een cursus regie op gedrag van Boudewijn Schut. Daarbij is het de bedoeling dat dit met twee personen gedaan wordt, zodat het kind zo gebalanceerd mogelijk de klas kan verlaten. Er onstaat dan ook geen fysieke strijd.
Mijn collega heeft daar een andere visie over, als het volgens haar onveilig is in de klas of de leerling moet nu consequent gecorrigeerd worden, gebruikt zij fysieke middelen om het kind uit de klas te zetten en in dit geval ook de handen van te wassen. Ik denk dat dit geen morele keuze is richting het kind, omdat hij hier geen autonomie heeft en zelfs pijn leed.
Vanuit een professioneel oog maar ook mijn collega niet te willen benadelen heb ik verteld dat het voor M handig is dat hij van tevoren aan ons aangeeft wat wel zou werken als hij ongewenst gedrag vertoont. Hij kan hier zelf goed op reflecteren. Ook heb ik gezegd dat het handig is voor hem om met de andere juf in gesprek te gaan, zodat zij het kunnen oplossen en uitpraten. Ik heb daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hij wel rustig praat en niet gelijk boos wordt. Hij dacht dat dat hem ging lukken. Mijn collega heeft het met hem uitgepraat en na school hebben we de situatie nog besproken met zijn vader. We hebben allebei het gevoel dat het zo fijn opgelost is.
Normatieve professionalisering draait om het vergroten van een bewustzijn, een sensitiviteit die leraren aan de dag leggen bij de dagelijkse uitvoering van hun taak. Het is in die zin vergelijkbaar met de term pedagogische tact (Van Manen, 1991; Bors en Stevens, 2013). In deze casus is de pedagogiek een belangrijk onderdeel van het handelen. Pedagogisch handelen bij ongewenst gedrag van kinderen is van belang om een zo veilig mogelijke situatie te realiseren voor het kind en de klas. In deze situatie zou ik het pedagogisch handelen dat mijn collega uitvoerde zelf anders aanpakken.
Ik heb mijn collega daarom nog feedback gegeven achteraf dat ik anders zou handelen in die situatie. Dit vond ik spannend, want zij heeft meer jaren ervaring dan ik. Toch vond ik het belangrijk om mijn visie hier over te delen en zij kon de feedback op prijs stellen.